HOOFDSTUK 2       Het geslacht der Tietema’s (en dat van der Holkema’s)

(Gegevens onder meer uit het “Stamboek van den Frieschen Adel” van de Haan Hettema)


Omstreeks het jaar 1450 woonde te Elahuizen in Gaasterland Parcke Tietema, die uit zijn huwelijk twee zonen had:

1. Hans Tietema, die omstreeks 1483 in het huwelijk trad met Bauck Douwesdochter Harinxma thos Heeg en bij deze zes kinderen verwekte, waaronder Douwe van Tietema;

2. Baucke Tietema, getrouwd met ene Roorda, die slechts één zoon kregen, Johan van Tietema.

(Het valt op dat de kinderen en kindskinderen van Hans en Baucke zich niet meer Tietema noemen, doch van Tietema). Deze beide broers zijn in een tragische familievete gewikkeld geweest. Het Friesland van die dagen werd verscheurd door burgertwisten, waarbij de twee partijen -die der Schieringers en die der Vetkoper- scherp tegenover elkaar stonden. De koppige en felle aard der Friezen zal deze strijd misschien nog heviger hebben gemaakt dan elders in de toenmalige Nederlandse Gewesten, waar om soortgelijke redenen Hoeksen en Kabeljauwen, Heekerens en Bronkhorsten tegenover elkaar stonden.

De Tietema’s nu waren de partij der Schieringers toegedaan. Ook Hans en Baucke waren Schieringers. Het noodlot wilde dat de dochter van eerstgenoemde, Wisk van Tietema, met geweld werd geschaakt en ‘beslapen’ door de eveneens in Gaasterland woonachtige Rycke Riencks, die helaas een vetkoper was. Baucke verlangde nu van zijn broer Hans, dat deze zijn dochter wederom aan Rycke ontweldigen zou, maar Hans was daartoe niet genegen en aanvaardde de schaker als schoonzoon, waarop Baucke de vrouw van Hans en diens andere dochter gevangen liet nemen en zijn huis vernielde. Dit heeft Hans zo aangegrepen dat hij tengevolge van hartzeer zou zijn overleden. Hij ligt begraven in de kerk te Elshuizen in Zuidwest Friesland. Baucke zou zijn daad daarna levenslang hebben betreurd en daarvan groot verdriet hebben gehad.

Dr. Douwe van Tietema, de stichter van het naar hem genoemde leen, was het tweede kind in het huwelijk van Hans van Tietema en Bauck van Harinxma thoe Heeg. Zijn geboortejaar staat niet vast, maar uit het feit dat zijn ‘lichter’ broeder (jongere broer) Ids in 1576 overleed en omtrent 90 jaar is geworden, dus in 1486 moet zijn geboren, mag worden afgeleid dat Douwe één of twee jaren eerder het levenslicht aanschouwde. Hij stierf in 1528, op de leeftijd dus van 43 of 44 jaar en ligt begraven bij de Grote Kerk te Leeuwarden. In zijn graf is ook zijn neef, de zoon van zijn broer Ids, Hans van Tietema, in leven advocaat voor het Hof van Friesland, bijgezet.

Van Dr. Douwe weten we niet veel. Hij is niet gehuwd geweest. Hij was jurist en volgens de “Naamrol der Raden” zou hij eerst in 1528 “in den Hove” zijn gekomen. Aangezien hij in dat jaar is overleden is hij dus slechts ongeveer één jaar Raad van het Hof van Friesland geweest en zou gedurende dat jaar het Hof ook hebben voorgezeten. Op het testament, waarin hij het Dr. Douwe Tietemaleen stichtte, komen wij straks nader terug.

De meergenoemde broer van Dr. Douwe, Ids van Tietema, gehuwd met Tryn Haycoosdochter van Idsaerda, had een zoon Parck van Tietema. Deze trouwde Jarich van der Ley. Hun afstammelinge, Mink van der Ley, was met Pieter Holckema (volgens andere bronnen Willem Holckema) in de echt verbonden. Hier ontstond vermoedelijk omtreeks 1680 de verwantschap tussen de Tietema’s en de Holckema’s, welk geslacht sindsdien vele beneficianten van het Dr. Douwe Tietemaleen heeft geleverd. Andere bronnen leggen de verwantschap tussen beide geslachten reeds eerder (ca. 1590). Deze Holkema’s waren een oud geslacht. In Halbertsma’s “Hulde aan Gysbert Jacobs”, uitgegeven in 1824, stond te lezen dat de Holckema’s in de 13e eeuw grote landerijen aan de uitvloed des Rijns en een groot-kasteel op Vlieland hadden. De Cronique van Dr. Winsemius, uitgegeven in 1622, vermeld voorts: “Omtrent deze tyde (13e eeuw) hebben de dan Holckama, welcke aan het Vlie ofte Yesselstroom veele landen hadden die met wateren van den selven reviers seer beswaert wierden, een sloot ofte vaart door den duynen in zee laten graven, om also dieselve in tyden van noodt te conen uytlosen ende met zijlen ende andersins in zee laten uytstroomen. ’t Welck also bij haar begost was is bij anderen mede, welcke ooc gelijcke plagen onderworpen waren, na ghespeelt, waerover  eijndelijker die Noordsec sijne ganck nemende, heeft dieselve gaten ende engten allenskens groter gemaeckt ende alsulcken inval ghenomen, dat daer door die duynen eenige jaren daarna bij tempereest ende onweder ghefleckt sijnde, die Noordtsee die landen tusschen beijden gelegen met water bedeckt ende weggespoeld heeft”. “Westergoo ende die landen van Holckama, welcke hetselve met hare vaerten ghewerkt hadden, waren rondomme met water besett, also dat die van Holckama ’t landt in den morgenstondt siende het water soo hoogh ghewassen te sijn, dat er vreeze was te sullen onderghaan, hebben sij den anderen, omtrent haer wonende ende slaapende aangesprooken, roepende op “en het is al vlielandt” verstaande dat het Vlie al meester van het land geworden was”.

De naam Vlieland zou aan dit roepen van een van Holckama zijn ontstaan hebben te danken. Holckama-stins-aldus staat nog in de cronique van Winsemius-“ stond diestijds (1263) op Vlielandt, alwaar sij hare afwateringen in zee lieten stroomen. Van dit stins wierde veel gherooft ende geplundert, waardoor het ook eyndelycker van den naastliggenden Edelen afgesmeten ende vernietigt is”.

Het geslacht der Holckama’s (thans Holkema) heeft zich tot op de huidige dag voortgezet. In zijn stamboom vinden we Japik Gysberts Holckema, burgemeester van Bolsward van 1638-1642, en diens zoon Gysbert Japiks Holckema, bekend als Gysbert Japiks, wiens 300e sterfdag in september 1967 te Bolsward werd herdacht met de onthulling van een standbeeld van deze grootste der Friese dichters en prozaschrijvers. In de 18e en 19e eeuw leverde het Holkema geslacht tal van dominees, die allen in Friesland hun ambt hebben uitgeoefend; vandaar dat het wel het predikanten geslacht werd genoemd.


terug

verder


terug naar titelpagina