HOOFDSTUK 3     Het Dr. Douwe Tietemaleen


a. Het testament

Het testament van Dr. Douwe van Tietema is gedateerd 11 oktober 1528. Aangenomen wordt, hoewel zulks niet zeker is, dat hij op die datum of kort daarna is overleden, omdat men in die dagen ‘gewoonlijk niet dan op het uiterste zijns levens testeerde’ en bovendien in het testament staat, dat “ick Doctor Douwe met grooter kranckheit op desse maell beladen bin”. Hij is begraven (zoals hiervoor reeds vermeld) bij de Grote Kerk te Leeuwarden, welke toentertijd een katholieke kerk was, waaraan een klooster was verbonden; dus niet in de kerk zelf maar in de zg. ommeganck van het klooster en wel (zoals zijn wens in het testament luidt) “in des alderoetmoedighst plaats, die in den ommeganck mach zijn, ende gheen hoechfaert dan slechtelick met eerde toe beloggen als in den cloosteren gewoonlijck is, als een aerm leykebroeder ende niet ferer, ende mij slaepen laeten biss optenn jonghsten dach, ende geheene toertsen noch keerssen voer mij toe draegen op mijn uitfaert uit den huijse oft in die kercke, sonder slechtlycken, ende geheene beluydinge aldaer int clooster noch in die stadt, dan met eenn misse van wegenn der heiligenn drievoldichheit singen te laeten ende te offerenn, soet in ’t predyker clooster op den dach gewoonlycken is ende op gheene anderen dagen, dat wil lick Doctor Douwe soe boven gescreven is alsoe geholden hebben ende niet anders”.

Het graf van Dr. Douwe is niet meer te traceren. Tussen de Grote Kerk en het toenmalig klooster, waarvan nog een gedeelte aanwezig is, loopt thans een straat “Achter de Grote Kerk” geheten. Deze straat was destijds tuin, waar de monniken hun brevieren liepen te lezen; zij was tevens begraafplaats voor de monniken. Vermoedelijk besloeg de tuin ook nog een stuk grond ten westen van de Kerk. Het is nu een pleintje, maar heet nog “Jacobijnen Kerkhof”. Het is mogelijk dat Dr. Douwe op dit kerkhof zijn laatste rustplaats heeft gevonden. Binnen het terrein van de Grote Kerk gelegen zal het, naar wij veronderstellen, tot de zg. “ommeganck” hebben behoord.

Na 1580, toen de Friezen het Spaanse gezag afwierpen, werd de Grote Kerk een Hervormde Kerk en kwam daar de dominee in de plaats van de pastoor. Een Hervormde Gemeente was in Leeuwarden reeds eerder gesticht.

Het testament is tevens de fundatiebrief van het Dr. Douwe Tietemaleen. Daarin staat nl.: “Ten derden soo ordiniere ick Doctor Douwe derdehalff dusent golden gulden ende sess van mijn beste rockenn mijn executorenn, dat sij dat geldt met dat silver sullen an sich nemen ende daeromme ewige renten koepen tot hondert vijff ende twintigh golden gulden jaerlycks renten; eerstlicken alsoc, dat ener uit mijn broederlijcke stam, die leeren will, sestien jaren lanck dieselve renten bruycken mach, ende sall, wanneer die tijtt vorscreven uit is, eenn ander uit die broederlijcke stam weder in sijnn voetstappen treedenn; ten derden, dat oeck ener uit mijn susterlicke stam oeck sestien jaren van die vorscreven renten, als boven die broederlijcke stam gescreven is, sullen oeck die nuttinge ende incomen bruycken ende ontvanghen, met wille ende weten der Borgermeisteren der Stadt Leeuwarden, tot ewigen daegen; sullen oeck executoren, die hyr na benoemt sullen worden oft hoere nacomen, oeck met weten ende wille Borgermeisteren der Stadt Leeuwarden dieselve renten uit broederlicke ende susterlicke stam vant opgemelte gelt, also enen uit den broederlicke en de anderenn uit die susterlicke stam, gelyck als bovenn verclaert, deylen;  soe zij niet wilden leren ofte studeren, dat zij dan schuldich sullen wesenn, dat geldt, dat zij verteert hebben van die voorscreven renten weder te geven ende weder totter hooftsomme maken ende dan nae gelegenheid der saken die hooftsomme verbeteren”.

In de breedsprakigheid en ingewikkeldheid van de officiële stukken uit die dagen geeft het testament dan aan wie der kinderen en kindskinderen uit de familie het recht op de renten zal kunnen doen gelden en in welk volgorde van broers en zusters zulks moet geschieden. Het komt erop neer dat diegenen der gegadigden moet worden aangewezen, “die geschickst sijn nae achtinge der geleerden”. Tenslotte verdeelt het testament roerende zaken als zijn boeken, zijn harnas, degens en zwaarden, wambuyzen met gouden knopen, rocken, tinnen bekers, sieraden en andere kostbaarheden; het schenkt enkele legaten en geeft aan wat men ten behoeve van het leen “opt hooghst sal verkopen tot hulp van die derdehalff dusent golden gulden, opdat ze mogen voerfolt worden”. ------ “Daer ickt wil bij blijven laeten naewilles des Almechtigen Godes, den ick groten danck segghe, datter mij dat vernuft gegeven heeft, dat ick also mijn bescriuinge wie boven gemelt nae sijnre godlicke wille volbracht hebbe. Ende soe stelle ende ordiniere ick Dr. Douwe voer executoren dese mijn testament ende laeste wille Doctor Joost ende Gala Galama, mijn neeff ende Borgermeisteren der Stadt Leeuwarden-------“.

Aldus luiden een aantal passages uit het testament van Dr. Douwe Tietama. Zij geven ons zeker ook enige kijk op de mens Douwe Tietema. Rijk in materiële zin was hij niet; men zou hem bemiddeld of welgesteld hebben kunnen noemen. De 2500 goudguldens, die hij voor het leen schenkt, vormen  blijkbaar het grootste deel zijner nalatenschap; het testament doet hem tevens kennen als een vroom katholiek; hij blijkt geen man te zijn geweest van ijdel vertoon; hij was ook een wijs man met vooruitziende blik, waarvan de instelling van zijn leen en de opzet daarvan -menen wij- getuigen. In die tijden was hij zeker een geleerd man. Hij bezat een aanzienlijke bibliotheek met vele werken in het Latijn. Een inventaris van die werken, samengesteld in 1544, is nog aanwezig.


terug

verder


terug naar de titelpagina