b. De begeving en de financiën

Uiterst belangrijk in het testament was de wijze waarop het leen moest worden beheerd en wie het recht van de begeving (het collatierecht, d.i. het recht om de beneficianten te benoemen) moesten uitoefenen. Dat waren -zoals wij hebben gezien- de Burgemeesteren van de stad Leeuwarden en deze zijn het heden ten dage -in de vorm van burgemeester en wethouders- nog.

Terwijl bij de meeste lenen het collatierecht aan de nazaten van de stichter toekomt, is dus bij het leen van Dr. Douwe Tietema -toch ook een familieleen- een openbare autoriteit daarvoor aangewezen. Dat heeft zijn leen allicht vele moeilijkheden bespaard, omdat, wanneer zovelen, soms honderden, de benoeming van een beneficiant beheersen, het duidelijk is dat daaruit twisten en geknoei kunnen voortkomen. Dat is dan ook bij andere lenen vaak gebeurd. De ene collator ontkende soms het recht van anderen om het stemrecht uit te oefenen; collatoren die een bepaalde beneficiant wilden zien aangewezen, reisden her en derwaarts om met behulp van omkoperij stemmen te verwerven. Het was destijds met de lenen niet zelden een onhoudbare toestand. Er waren beneficianten die het leen als bron van inkomsten beschouwden in plaats van als een tegemoetkoming in de studiekosten; er waren collatoren die nieuwe begevingen achterwege lieten en de inkomsten van het leen te eigen bate aanwendden. Vele lenen zijn door dergelijke knoeierijen te gronde gegaan, zodat hun aantal thans veel geringer is geworden.

Het Dr. Douwe Tietemaleen echter heeft de storm der tijden goed doorstaan. De bepaling in het testament om B. en W. het collatierecht te geven is daarop zeker van grote invloed geweest. Terwijl het feit dat sinds de Commissaris der Koningin van Friesland als provisor van het leen aan iedere benoeming van een beneficiant zijn goedkeuring moet hechte n, een extra waarborg betekent.

Toch is ook het Dr. Douwe Tietemaleen niet gevrijwaard gebleven voor moeilijkheden. Geschillen en onderlinge veten tussen belanghebbenden waren er vele, maar juist door de bijzondere structuur van dit leen konden zij niet leiden tot zijn destructie; het leen bleef functioneren, mede door de tactiek van Burgemeesteren om de twistende familieleden voor hen te laten verschijnen en, indien gewenst, te trachten het tot een compromis te bewegen.

Reeds vrij spoedig na de instelling van het leen kwamen geschillen over de begeving onder de gegadigden naar voren. In een brief van 13 mei 1544 (overgezet in het Nederlands van latere jaren) lezen wij: “De Stadhouder Mixmilliaan van Egmondt, met President en Raden in het Hof van Friesland, citeren Wattije van Herema, Pastoor te Nieuwland (Adminstrator van het Dr. Douwe Tietemaleen) en de Burgemeesteren van Leeuwarden, op de klagt van Dominicus van Coudum, zusters zoon van den testator, dat hij op de pensie van 60 goudguldens ’s jaars nu 16 jaren lang gestudeerd en diverse “schoelen ende Universiteijten” bezocht heeft, doch dat de executeuren hem de pensie over slechts 14 jaren willen uitkeeren, om den 27e Mei ter kanselarij te verschijnen.

Daarop een brief van 12 oktober 1544, waarin Burgemeesteren als executeuren van Dr. Douwe Tietema’s testament zes zijner bloedverwanten citeren om op den 26 oktober 1544 ten Raadhuize te verschijnen, ter beoordeling der klacht van Hans Tetema.

In 1575 staan Burgemeesteren de jaarlijkse rente van 61 goudguldens toe aan Haio Martens voor zijn zijn zoon Marten, uit zusterlijken stam van Dr. Douwe Tietema, mits hij hen schadeloos houde tegen de aanspraak van anderen.  In 1576 beklaagt deze beneficiant, Marten Hayl zoon, zich bij Burgemeesteren, dat de pensie hem in den vorigen jare toegekend als nakomeling van Auck Tietema, thans hem betwist wordt door Joost Heerema, vanwege zijns broeders zoon Joost Ottezoon Heerema, die uit des testators tweede zuster Wisck is gesproten. Marten Hayo verzocht Burgemeesteren hem in zijn rechten te handhaven.

In datzelfde jaar 1576 beklaagt Joost van Heerema zich bij Burgemeesteren dat het leen is toegekend aan Marten Hayes, dewijl diens vader de pensie reeds menige jaren heeft genoten en omdat men niet weet waar hij gebleven is en of hij niet bij de vijanden of in suspecte plaatsen getrokken is.

En zo zitten de oude dossiers vol met dit soort geschillen en moeilijkheden, die zeker niet altijd door Burgemeesteren gemakkelijk tot een rechtvaardige oplossing konden worden gebracht en zeker ook tot langdurige veten tussen bloedverwanten aanleiding zullen hebben gegeven. Begrijpelijk overigens, vooral in een tijd toen één pensie van 60 goudguldens of meer per jaar een aanzienlijke bijdrage betekende in de kosten van iemands studie. Maar het is wel duidelijk dat de wijze bepaling in het testament om de macht over het leen niet in handen te leggen van de familieleden zelve, zoals bij de lenen vrijwel gebruikelijk was, maar van de Burgemeesters van Leeuwarden, voorkomen heeft dat het leen wel aan die veten te gronde zou zijn gegaan, of bron zou zijn geworden van knoeierijen tussen de steeds groeiende scharen van nakomelingen.

De tachtigjarige oorlog gaf, vooral in zijn eerste periode, toen grote delen van de Nederlandse Gewesten en vele steden nog in handen waren van de Spanjaarden of de Spaansgezinden, blijkbaar nog wel eens aanleiding aan gegadigden op het leen om hun tegenpartij van heulen met de vijand te beschuldigen. Het klinkt ons mensen van nu, die de oorlog van 1940-1945 hebben meegemaakt, niet zo vreemd in de oren. De mens van toen en die van nu verschillen in hun wezen nog niet zoveel van elkaar. Een voorbeeld van een dergelijke beschuldiging werd hierboven reeds vermeld uit een brief van 1576. Vermeldenswaard zijn in dit verband ook gegevens uit een Latijnse brief van 2 augustus 1587, geschreven door Martinus Wybingha uit Parijs aan de Secretaris van Leeuwarden Dr. Otto Swalue, dien hij te kennen geeft “den vierden november 1586 van Leeuwarden vertrokken te zijn en na een verblijf van drie dagen bij zijne familie te Harlingen, den 30e november te Parijs aangekomen te zijn, waar hem een zware ziekte was overvallen, waarom hij niet eerder had kunnen schrijven. Tot wederlegging van de beschuldiging, alsof hij in plaats van te studeren dienst zou hebben genomen bij de Spanjaarden, voegt hij een certificaat bij van den Rector der Universiteit te Parijs, waar hij eerlang denkt te promoveren tot Doctor, zodra hij zijn pensie weder ontvangen zal hebben”.

In een Latijnse brief van 25 julij 1588, eveneens vanuit Parijs, beklaagt hij zich opnieuw over de kuiperijen van Joost van Heerma (een naam die wij in brieven hiervoor ook reeds tegenkwamen) die het leen voor zijns broeders zoon verlangt en “nu al voor de vierde maal valsche beschuldigingen aanvoert om het de pensie te doen ontnemen, ten gevolge van welke insinuatie Burgemeesteren van zijne familie gevorderd hadden, dat zij hypothecaire cautie zouden stellen voor het bedrag der door hem genoten pensies, hetgeen strijdig zou zijn met den inhoud en de bewoordingen van het testament van Dr. Douwe Tietema”.

Een andere bepaling in het testament, welke ongetwijfeld van groot belang was voor een juiste uitvoering van de bedoelingen van de stichter, was die, waarbij diegene uit zijn nageslacht tot beneficiant moet worden aangewezen, die het meest geschikt is voor studie “nae achtinge der geleerden”. En tenslotte moge worden opgemerkt dat de wijze van belegging van het fonds ad 2500 goudguldens, waarvoor ‘ewige renten’ moesten worden gekocht met een  jaarlijkse opbrengst van 125 goudguldens, zijnde 5% van de hoofdsom, heeft bijgedragen tot een grote mate van stabiliteit der opbrengsten. Weliswaar komt het fonds daardoor niet zozeer profiteren van gunstige conjunctuur of van eventuele koerswinsten en zal het integendeel nadeel hebben ondervonden van waardevermindering van het geld, doch daar staat tegenover, dat speculatie en geheel of gedeeltelijk verlies van de hoofdsom was uitgesloten of althans beperkt.  Ondanks dit alles is de hoofdsom in de loop der tijden toch sterk vermeerderd, mede doordat niet uitbetaalde en ook terugbetaalde pensies werden toegevoegd aan de hoofdsom, zoals de bedoeling van het testament was.

De administratie van het leen en het beheer der gelden was meestal in handen van de secretaris van de stad Leeuwarden, die daarover uiteraard verantwoording moest afleggen. In een brief van 16 november 1578 verantwoordt Mr. Focco Rommerts aan Burgemeesteren de administratie, die zijn overleden vader, de secretaris Matthijs Rommerts van 1548 – 1577 heeft gevoerd. Hij belooft tevens een tekort van 400 goudguldens benevens 24 guldens rente te voldoen op 1 november 1579. Verder draagt hij over aan de opvolger, de secretaris Laurens de Veen, zes gespecificeerde rentebrieven, bedragende in hoofdsom 2588 G.Gld., rente doende 132 G.Gld., benevens drie zakken met brieven. Op 20 oktober 1579 geeft Matthijs Heijmans Burgemeesteren akte van verzekering, dat genoemde Raadsheer Mr. Focco Rommerts de toegezegde 400 G.Gld. een jaar later zal uitkeren met een rente van 28 G. Gld., met hypotheekstelling van diens goederen.

De geldmiddelen van het leen waren toen dus belichaamd in zes rentebrieven en de hoofdsom was sedert de instelling van het leen toegenomen van 2500 tot 2588 G.Gld., benevens, naar wij aannemen, de 400 G.Gld. plus rente, die Focco Rommerts nog moest voldoen. Op 1 maart 1649 bedroegen de middelen van het leen reeds 5000 G.Gld. Het kwam op die dag in het bezit van een “obligatie” ten laste van de stad Leeuwarden tot dat bedrag. In de betreffende akte verklaren “Burgemeesteren, Scheepenen ende Raden der Stadt, dat Mr. Menso (of Menno) Gabbema, secretaris van voorsz. Stede als administrator van het Dr. Douwe Tyttemaleen aan de Stadt Leeuwarden heeft verschoten de somma van Vijff Duisent Carolus Guldens à 5 percent, welke penningen geëmploieert zijn tot aflossinge van vijff (vervolgens genoemde) verplichtingen van penningen bij de Stadt anno 1645 ten behoeve van de treckwech genegoteerd ende opgenomen”. Vermoedelijk is hier bedoeld de Harlinger Trekweg, waar ook een tol werd geheven. Speciaal de inkomsten van deze tol werden als zekerheid gesteld voor de eventuele restitutie van de hoofdsom en de “promptelijcke” betaling van de renten “met submissie van den Hove van Friesland”.

Omstreeks 1720 bestond het kapitaal van het Dr. Douwe Tietemaleen nog uit deze obligatie van 5000 Carolus guldens. Zij bracht 250 Carolus guldens aan inkomsten op. Twee beneficianten, één uit de broederlijke en één uit de zusterlijke stam van Dr. Douwe, kregen in die jaren, vermoedelijk reeds vanaf 1649, als pensie ieder 100 Carolus guldens en 16 stuivers. Dit bedrag was in 1809 nog ongewijzigd. Uit de opbrengsten van de obligatie moesten nog andere kosten worden voldaan. O.m. kregen de Burgemeesters een jaarlijkse toelage, zoals b.v. uit onderstaande verklaring uit 1785 blijkt: “De vier Heeren Burgemeesteren der Stad Leeuwarden verklaaren ontvangen te hebben uit handen van de secretaris Jacob Frederik van Sloterdijck als administrator van Dr. Douwe Tietema Leen elk twee Carolus guldens wegens een jaar tractement ons als collatoren van hetselve leen cempeteerende. Den 5den Maij 1785 verscheenen, deeze zal in rekening valideeren actum den 20sten Maij”.

                                                                                                                                                                                                                                                      w.g.      Steensma                  Coulon

                                                                                                                                                                                                                                                                    Faber                            Dominicus

Ook de administrator van het leen kreeg in die tijden een beloning voor zijn moeite, nl. 6 Carolus guldens per jaar. De toelage aan Burgemeester en Wethouders is reeds lang afgeschaft; de secretaris der Stad krijgt nog steeds enige vergoeding voor zijn werkzaamheden ten behoeve van het leen.

De hoofdsom van het fonds is thans belegd in obligaties van het Koninkrijk der Nederlanden met verschillend rentetype en met een totale nominale waarde van ruim f 100.000,- De jaarlijkse renteopbrengst is rond f 3.100,- Dat is bepaaldelijk een lage opbrengst, gezien de huidige rentevoet voor obligaties van 6 à 6,5%. De obligaties zijn echter gekocht in tijden van lage rente en hun gemiddelde opbrengst is daardoor slechts 3%. Omruil in hoger rentende obligaties heeft weinig zin, omdat de beurskoersen uiteraard aan het lagere rentetype zijn aangepast. De reëel e waarde van het totale fonds ligt dus thans ook belangrijk beneden de bovengenoemde f 100.000,- aflossing en uitloting der obligaties en met de aldus vrijkomende middelen t.z.t. nieuwe obligaties kopen zal geleidelijk de inkomsten van het leen aanzienlijk kunnen verhogen, aannemende dat de thans bestaande hoge rentevoet niet zo spoedig zal dalen, althans niet in betekenende mate. Overigens is daaromtrent niets met zekerheid te zeggen. Rente is, zoals zovele verschijnselen in de maatschappij, alsook in de natuur en in de mens zelf, aan op- en neergang onderhevig.

Belegging in overheidsobligaties lijkt voor een fonds als het Dr. Douwe Tietemaleen thans nog wel de meest aangewezen wijze van beheer, al is het daarbij een groot nadeel dat zij geen tegenwicht geeft tegen waardevermindering van het geld. Alle andere beleggingsvormen hebben echter ook hun specifieke bezwaren. Wel lijkt het van belang, dat beheerders van het fonds zo nu en dan hun aandacht aan de wijze van belegging en aan eventueel opkomende nieuwe vormen van belegging blijven geven en -zonodig- daarbij het advies van een deskundige op dit gebied inwinnen. Indien het fonds geleidelijk door uitloting en aflossing van zijn obligaties en aankoop van hoger rentende obligaties tot grotere inkomsten zal komen, verdient het wellicht ook aanbeveling om jaarlijks uit de hogere inkomsten een bedrag te reserveren of aan de hoofdsom toe te voegen ter compensatie van eventueel voortschrijdende inflatie, waarmede het nadeel van belegging in vaste rente dragende effecten zou kunnen worden geëlimineerd. Overigens toont de door de tijden heen te constateren groei van de hoofdsom wel aan, dat beheerders steeds een voorzichtig en wijs financieel beleid hebben gevoerd.

Uit de bovengenoemde f 3.100,- krijgen thans twee jongelieden, als zij aan een Universiteit of Hogeschool studeren, een pensie van f 1.000,- per jaar. Bij studie aan de middelbare school is de pensie lager. Dit bedrag van f 1.000,- per jaar was in het studiejaar 1957/58 en daarvoor slechts f 600,-. In de omstandigheden van die dagen vertegenwoordigde een dergelijk bedrag slechts een geringe tegemoetkoming in de kosten van een universitaire studie.

Bij Besluit van B. en W. van Leeuwarden van 22 maart 1958 werd dit bedrag van f 600,- dan ook verhoogd tot de thans nog geldende f 1.000,-. De financiële toestand van het leen kon een dergelijke forse verhoging van de pensie wel verdragen. Op de fiscale gevolgen van een pensie voor de beneficiant en diens ouders komen wij aan het einde van dit opstel nog terug.

Hoe is nu de gang van zaken bij het Dr. Douwe Tietemaleen om iemand als beneficiant te kunnen doen benoemen? Hoe vindt dus thans de begeving plaats?

Zodra er een pensie vrijkomt door het afstuderen van een beneficiant aan een inrichting van hoger onderwijs moet door B. en W. van Leeuwarden, als collatoren vormende het bestuur van het leen dat juridisch een stichting is, binnen zekere tijd een advertentie in enkele vooraanstaande Friese en landelijke dagbladen worden geplaatst, waarin gegadigden voor het worden geplaatst, waarin gegadigden voor het leen worden opgeroepen om daarnaar te solliciteren. Deze gegadigden, meestal de ouders van studerende of nog op school zijnde jongens of meisjes, moeten bij hun sollicitatiebrief de nodige gegevens verschaffen. In de eerste plaats moeten zij aantonen dat zij afstammelingen zijn in de mannelijke of vrouwelijke lijn van het geslacht van Dr. Douwe Tietema, waaraan zij het recht om te solliciteren moeten ontlenen, aangezien het leen een z.g. familieleen is. De gegevens omtrent de afstamming worden gecontroleerd en al of niet juist bevonden door de stadsarchivaris. Andere gegevens zijn die over het genoten onderwijs van de sollicitant, eventuele diploma’s door hem behaald, welke recht moeten geven op voort te zetten studie aan Universiteit of Hogeschool enz. Als alle gegevens in orde zijn bevonden worden de betrokken gegadigden uitgenodigd om zich aan een vergelijkend schriftelijk en mondeling examen te onderwerpen, af te nemen door een commissie van leraren, daartoe door B. en W. benoemd. Zijn er vele examinandi, dan zal het dikwijls moeilijk zijn om daaruit, zoals het testament eist, de meest geschikte te kiezen.

De keuze der leraren valt dan soms op enkele van hen waaruit B. en W. er één moeten aanwijzen en daarbij in hun overwegingen uit sociale motieven de financiële positie van de examinandus of diens ouders mede kunnen betrekken.

Wordt er tenslotte één der examinandi uitverkoren, dan wordt hij bij Besluit van Burgemeester en Wethouders tot beneficiant benoemd. Op dit Besluit moet dan nog de vereiste goedkeuring van de provisor van het leen, i.c. de Commissaris der Koningin van Friesland, worden verkregen. Het Besluit dat ‘let’ op de inhoud van het testament van Dr. Douwe Tietema d.d. 11 oktober 1528 en wel speciaal op de daarin voorkomende bepaling, dat voor de begeving der opkomsten van het leen zal worden voorgetrokken die “nae achtinge der geleerden het geschickst is voor studie” en mede ‘let’ op de Koninklijke Besluiten van 2 december 1823 (Staatsblad 49) en 20 april 1873 (Staatsblad 44), zomede op de missive van Gedeputeerde Staten van Friesland d.d. 15 juli 1884 en op het Besluit van Burgemeester en Wethouders van Leeuwarden, waarbij het bedrag der pensie nader is geregeld, stelt vervolgens als voorwaarden:

1ste.     Dat, indien de gebeneficieerde niet wil leren of studeren, de ontvangen gelden moeten worden gerestitueerd.

2de.      Dat bij het jaarlijks of halfjaarlijks verzoek om uitbetaling van een gedeelte der pensie moet worden overlegd een behoorlijk gelegaliseerd getuigschrift, afgegeven door        het Hoofd der inrichting van onderwijs, waar het onderwijs wordt genoten. Bij studie aan een Universiteit of Hogeschool moet in dit getuigschrift melding worden gemaakt dat de begiftigde zich volgens verklaring van de hoogleraren der faculteit, waarin het onderwijs wordt genoten, gedurende het afgelopen tijdvak naar behoren op de studie heeft toegelegd.

3de.      Dat de begiftigde, of bij minderjarigheid zijn wettelijke verzorger, van elk door hem afgelegd examen mededeling moet doen aan de bestuurders van het leen.


terug

verder


terug naar titelpagina